Spijt en detransitie
Heeft maar 1 procent spijt na transitie?
De bewering
“Media willen vaak weten hoeveel mensen spijt hebben van hun transitie. Dat cijfer is er niet, wel weten we dat volgens onderzoek 1% spijt heeft van (sommige) medische stappen.”
Transgender Netwerk, pagina ‘Cijfers’ (thema Media), volgens de paginagegevens laatst gewijzigd op 13 mei 2025 · bekijk de bron
Ons oordeel
OnvolledigDe 1 procent staat in het aangehaalde onderzoek, maar telt alleen gedocumenteerde spijt na operaties, met korte follow-up en veel uitval. Volgens de Gezondheidsraad is spijt zo niet betrouwbaar vast te stellen.
Wat wordt er beweerd
Transgender Netwerk schrijft op zijn pagina ‘Cijfers’, onder het thema Media: ‘Media willen vaak weten hoeveel mensen spijt hebben van hun transitie. Dat cijfer is er niet, wel weten we dat volgens onderzoek 1% spijt heeft van (sommige) medische stappen.’ Het woord ‘onderzoek’ verwijst naar één publicatie: de meta-analyse van Bustos en collega’s uit 2021.
De organisatie zegt dus zelf dat een totaalcijfer ontbreekt. Toch blijft bij de lezer één getal hangen: 1 procent. In een persbericht uit 2018 noemden Transgender Netwerk en Transvisie al het Amsterdamse cijfer van 0,5 procent, met de toevoeging: ‘Dit cijfer is niet hard, maar sluit wel aan bij ander onderzoek.’ De vraag is wat die getallen meten, en wat niet.
Wat de bronnen zeggen
De meta-analyse van Bustos
Bustos en collega’s voegden 27 studies samen met 7.928 patiënten die een genderbevestigende operatie hadden ondergaan. Van hen uitten er 77 spijt. Het samengevoegde percentage was 1 procent (95-procentsbetrouwbaarheidsinterval: minder dan 1 tot 2 procent). De studie gaat alleen over spijt na operaties. Over spijt van hormonen of puberteitsremmers zegt zij niets, terwijl Transgender Netwerk over ‘medische stappen’ spreekt.
De auteurs noemen zelf de beperkingen: grote verschillen tussen de studies, een matig tot hoog risico op vertekening in een deel ervan en het ontbreken van gevalideerde vragenlijsten om spijt te meten. Hun toets op publicatiebias was statistisch significant, al veranderde een correctie daarvoor de uitkomst volgens hen weinig.
In een ingezonden brief in hetzelfde tijdschrift wezen Expósito-Campos en D’Angelo op fouten in de gegevensverwerking. De grootste studie was volgens hen met 4.863 in plaats van 2.627 personen meegeteld. Veel van de opgenomen studies volgden patiënten maar één of twee jaar na de operatie, en 23 van de 27 studies hadden een matig tot hoog risico op vertekening. De auteurs verdedigden hun werk, maar publiceerden in april 2022 een erratum: de review was opnieuw uitgevoerd, de Amsterdamse studie staat er nu in met 2.627 personen en volgens de auteurs veranderde de uitkomst niet wezenlijk.
De Amsterdamse studie van Wiepjes
Die grootste studie is het dossieronderzoek van Wiepjes en collega’s (2018) onder 6.793 mensen die van 1972 tot en met 2015 de genderpoli van het VUmc bezochten. Spijt werd vastgesteld bij 0,6 procent van de transvrouwen en 0,3 procent van de transmannen die hun geslachtsklieren hadden laten verwijderen: veertien mensen. Drie dingen bepalen wat dat cijfer waard is.
- De definitie. Als spijt telde alleen wie na de operatie opnieuw hormonen van het geboortegeslacht ging gebruiken en bij de kliniek spijt uitsprak. Spijt van alleen hormonen, of spijt die niet in het Amsterdamse dossier terechtkwam, is niet gemeten.
- De uitval. Volgens de auteurs kwam een grote groep (36 procent) na enkele jaren behandeling niet meer terug bij de kliniek. Daardoor kan informatie over mensen met spijt gemist zijn.
- De tijd. Spijt werd 46 tot 271 maanden na de start van de hormoonbehandeling geuit, gemiddeld na 130 maanden, bijna elf jaar. Dertien van de veertien waren tussen 1978 en 1997 met hormonen begonnen.
De auteurs schrijven daarom zelf dat hun bevinding een onderschatting kan zijn en dat het mogelijk te vroeg is om spijt te beoordelen bij mensen die in de laatste tien jaar zijn gestart.
Wie stopt, meldt zich vaak niet
Littman (2021) ondervroeg honderd mensen die na een medische transitie waren gedetransitioneerd. Van hen had 24 procent dat gemeld aan de arts of kliniek die de transitie had begeleid. Gemiddeld waren zij 3,9 jaar in transitie voordat zij besloten te stoppen. Vandenbussche (2021) vond onder 237 detransitioners een groot gebrek aan steun en veel negatieve ervaringen met de medische en psychische zorg. De Cass Review noemt dit als reden waarom klinieken spijt en detransitie niet goed kunnen schatten: wie detransitioneert, keert niet altijd terug naar de kliniek en verdwijnt zo uit de follow-up. Hoeveel met hormonen behandelde mensen later detransitioneren, noemt Cass onbekend.
De Gezondheidsraad
Het advies van 30 juni 2026 gaat over jongeren. De raad vond zes Nederlandse studies: 0 tot 3,5 procent stopte met puberteitsremmers en 0 tot 2 procent met hormonen. Slechts twee studies keken naar spijt. Zij vonden geen gevallen, maar één ervan keek alleen naar spijt van de operatie en onderzocht spijt van hormonen niet.
De raad noemt de bewijskracht laag tot zeer laag. Door uitval en korte follow-up kunnen cijfers over stoppen, spijt en detransitie volgens de raad ‘niet betrouwbaar’ worden vastgesteld, ‘terwijl bekend is dat spijt zich soms pas na meerdere jaren of decennia kan openbaren’. Een onbekend deel van de mensen met spijt meldt dit niet bij de zorgverlener. Nederlands onderzoek naar detransitie na behandeling op minderjarige leeftijd is er niet. Ook is niet onderzocht wat de veranderde samenstelling van de groep jongeren betekent voor het aantal dat later stopt of spijt krijgt. Het achtergronddocument geeft de studies afzonderlijk.
Wat hierbij hoort
Het sterkste argument voor de bewering: vrijwel alle klinische studies vinden weinig gedocumenteerde spijt, en geen enkele hier besproken studie vindt hoge percentages. Dat geldt ook voor de recente Nederlandse en Europese studies die de Gezondheidsraad noemt. De raad wijst er bovendien op dat het in de media genoemde cijfer van 30 procent stoppers berust op een Amerikaanse studie naar het ophalen van medicijnen bij de apotheek, waaruit niet valt af te leiden hoeveel mensen werkelijk stopten. Overdrijven gebeurt dus aan beide kanten. Stoppen is bovendien niet hetzelfde als spijt, en wie spijt heeft wil niet altijd terug.
Het tegenbewijs heeft eigen zwaktes. De studies van Littman en Vandenbussche zijn anonieme online enquêtes onder mensen die zichzelf aanmeldden. Ze laten zien dat detransitioners buiten beeld van klinieken blijven, niet hoe vaak detransitie voorkomt. Een betrouwbaar hoger cijfer bestaat evenmin. Het eerlijke antwoord is dat de omvang van spijt niet bekend is, zeker niet voor de jongeren die de afgelopen tien jaar zijn behandeld. Voor kinderen speelt een andere vraag, die wij bespreken in de toetsing van de claim dat genderdysforie bij kinderen niet overgaat. De onderbouwing van de behandeling zelf komt aan bod bij het Dutch Protocol.
Conclusie
Het cijfer van 1 procent staat in het aangehaalde onderzoek, maar het is een ondergrens. Het telt gedocumenteerde spijt na operaties, vooral in oudere cohorten, met korte follow-up of veel uitval. Het zegt weinig over hormonen en puberteitsremmers en over de jongeren van nu. Transgender Netwerk heeft gelijk dat een totaalcijfer ontbreekt. Wie daarna toch schrijft ‘wel weten we’, laat weg dat de onderzoekers zelf en de Gezondheidsraad zeggen dat spijt met deze gegevens niet betrouwbaar is vast te stellen.
Bronnen
- Bustos, V.P. et al. (2021). Regret after Gender-affirmation Surgery: A Systematic Review and Meta-analysis of Prevalence. Plastic and Reconstructive Surgery Global Open.
- Erratum (2022) bij Bustos et al., Regret after Gender-affirmation Surgery. Plastic and Reconstructive Surgery Global Open.
- Expósito-Campos, P., D’Angelo, R. (2021). Letter to the Editor: Regret after Gender-affirmation Surgery: A Systematic Review and Meta-analysis of Prevalence. Plastic and Reconstructive Surgery Global Open.
- Wiepjes, C.M. et al. (2018). The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015): Trends in Prevalence, Treatment, and Regrets. Journal of Sexual Medicine (volledige tekst via officielebekendmakingen.nl).
- Littman, L. (2021). Individuals Treated for Gender Dysphoria with Medical and/or Surgical Transition Who Subsequently Detransitioned: A Survey of 100 Detransitioners. Archives of Sexual Behavior.
- Vandenbussche, E. (2021). Detransition-Related Needs and Support: A Cross-Sectional Online Survey. Journal of Homosexuality.
- Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report.
- Gezondheidsraad (2026). Advies Transgenderzorg voor jongeren, nr. 2026/12.
- Gezondheidsraad (2026). Achtergronddocument Stoppen, spijt en detransitie.
- Transvisie en Transgender Netwerk Nederland (2018). Transgender personen hebben nauwelijks spijt (persbericht, 19 december 2018).
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.

