Beleid en voorlichting
Komt de stijging van de aanmeldingen door minder stigma?
De bewering
“De toename in zorgvraag van jongeren valt het meest waarschijnlijk te verklaren vanuit het wegvallen van barrières door afgenomen stigma en betere toegang tot zorg. [...] Van een zogenaamde explosie aan trans jongens is geen sprake aldus de WPATH in haar nieuwe Standards of Care.”
Transgender Netwerk, brandbrief aan BNNVARA, de NPO en de Ombudsman van de publieke omroep over de Zembla-uitzending over transgenderzorg, punt 10, 24 oktober 2023 · bekijk de bron
Ons oordeel
Niet onderbouwdMinder stigma speelt aannemelijk mee, maar de bronnen meten niet hoe groot welke oorzaak is. De sterkere stijging onder oudere geboren meisjes is door de klinieken zelf vastgesteld en nog niet sluitend verklaard.

Wat wordt er beweerd
Op 24 oktober 2023 stuurde Transgender Netwerk een brandbrief aan de directeur van BNNVARA, de voorzitter van de NPO en de Ombudsman van de publieke omroep, twee dagen voor een uitzending van Zembla over transgenderzorg. In die brief zet de organisatie uiteen wat er volgens haar over de zorg bekend is. Punt 10 gaat over de groei van het aantal aanmeldingen: “De toename in zorgvraag van jongeren valt het meest waarschijnlijk te verklaren vanuit het wegvallen van barrières door afgenomen stigma en betere toegang tot zorg.” En verderop: “Van een zogenaamde explosie aan trans jongens is geen sprake aldus de WPATH in haar nieuwe Standards of Care.”
Dezelfde verklaring is te horen bij behandelaars. In een NOS-bericht van 10 september 2021 noemt kinderpsychiater Annelou de Vries van Amsterdam UMC de vergrote zichtbaarheid van transgender personen als mogelijke oorzaak van de langere wachtlijsten, en legt zij een verband tussen media-aandacht, meer acceptatie en het aantal aanmeldingen.
De bewering is voorzichtig geformuleerd (‘het meest waarschijnlijk’), maar wijst één verklaring aan en ontkent dat er bij meisjes iets bijzonders aan de hand is. Beide onderdelen zijn te toetsen.
Wat de bronnen zeggen
Hoe groot de stijging is
Volgens het advies van de Gezondheidsraad van 30 juni 2026 is het aantal aanmeldingen van kinderen en jongeren bij ggz-aanbieders en UMC’s tussen 2020 en 2022 meer dan verdubbeld, van 1.179 naar 2.772. Het rapport Mijn gender, wiens zorg? van de Radboud Universiteit (2023) meldt dat het aantal wachtenden op een intake tussen oktober 2019 en juli 2022 steeg van 2.820 naar 8.630, een groei van 206 procent. Hetzelfde rapport plaatst daar een kanttekening bij: één persoon staat gemiddeld bij 1,53 zorgaanbieders ingeschreven, en “niet iedere persoon op de wachtlijst” heeft “uiteindelijk echt een zorgvraag”.
Wie zich aanmeldt is veranderd
De groep is niet alleen groter geworden, maar ook anders samengesteld. Dat blijkt uit publicaties van de klinieken zelf.
- Van der Loos en collega’s (2023) beschreven 1.766 kinderen en adolescenten die tussen 1997 en 2018 het Amsterdamse gendercentrum bezochten. Na 2009 verschoof de verhouding tussen geboren jongens en geboren meisjes; in 2018 was die 1 op 2,9. Sinds 2012 komt de groei vooral van geboren meisjes die bij het eerste bezoek tien jaar of ouder waren.
- Aitken en collega’s (2015) vergeleken 748 adolescenten van de klinieken in Toronto en Amsterdam. In de jaren 2006 tot en met 2013 waren geboren meisjes in de meerderheid, in de jaren daarvoor geboren jongens. Bij 6.592 adolescenten die in Toronto om andere redenen werden verwezen, was zo’n verschuiving er niet.
- De Gezondheidsraad vat samen dat jongeren die zich de laatste jaren aanmelden vaker ouder zijn, pas later genderdysforie ervaren, vaker een non-binaire genderidentiteit hebben en vaker bijkomende psychosociale problematiek, zoals autisme, stemmingsproblemen of ADHD.
Het woord ‘explosie’ is geen meetbaar begrip. Maar dat het aantal aanmeldingen van geboren meisjes sterker is gestegen dan dat van geboren jongens, is door de Amsterdamse kliniek zelf vastgesteld.
Wat over de oorzaak bekend is
Het Radboud-onderzoek is uitgevoerd in opdracht van ZonMw en het ministerie van VWS, met als vraag hoe de toename te verklaren is. Het vertrekpunt staat in de samenvatting: “Goed inzicht in het waarom van de toename ontbreekt.” Of er meer transgender personen zijn dan vroeger, kunnen de onderzoekers niet zeggen, “omdat belangrijke cijfers ontbreken”. Wel stellen zij vast dat trans personen zichtbaarder zijn geworden, en zij schrijven: “Het kan ook zijn dat simpelweg meer trans personen hun trans identiteit durven uiten door de toenemende herkenning en acceptatie.” Dat is een mogelijkheid, geen vaststelling. Elders in het rapport staat: “Er is immers niet één verklaring voor de toename in transgender personen die een zorgvraag hebben.”
De toename van de zorgvraag zelf verklaart het rapport uit andere mechanismen. De reguliere zorg is nog onvoldoende ingericht op gendervragen, waardoor ook vragen die daar beter zouden passen bij de specialistische zorg belanden; de onderzoekers noemen dat een ‘fuik’. Dat de vraag ondanks de uitbreiding van het aanbod sterk is gestegen, komt volgens hen “doordat de maatschappelijke acceptatie en integratie van trans personen verre van voltooid is”. En zij wijzen op medicalisering, met een verwijzing naar eerdere studies: “wanneer een probleem eenmaal is gemedicaliseerd, het ook makkelijker als zodanig erkend wordt, waarmee meer mensen een diagnose krijgen en de zorgvraag stijgt”. Hoe dat bij de huisarts werkt, staat in de weerlegging over de route via de huisarts.
Over de veranderde samenstelling is de Gezondheidsraad kort: “Onderzoek naar de oorzaken van deze veranderende demografie en de gevolgen daarvan op de (met name psychosociale) uitkomsten van hormoonbehandelingen is momenteel (nog) niet voorhanden.” De Amsterdamse onderzoekers schrijven over de verschuiving naar meisjes dat “een sluitende verklaring nog niet is gevonden” (vertaald uit het Engels).
Wat hierbij hoort
Het sterkste argument voor de bewering komt uit de studie van Arnoldussen en collega’s (2020). Zij bekeken 1.072 adolescenten die tussen 2000 en 2016 naar Amsterdam werden verwezen. Het aandeel dat de diagnose genderdysforie kreeg bleef door de jaren gelijk en het psychisch functioneren van de verwezen jongeren werd niet slechter, eerder iets beter. De auteurs leiden daaruit af dat hulp zoeken waarschijnlijk gewoner is geworden, en niet dat de drempel voor verwijzing is gezakt. Het Radboud-rapport voegt toe dat het stigma op mannelijk gedrag bij meisjes kleiner is dan op vrouwelijk gedrag bij jongens, wat een deel van de verschuiving zou kunnen verklaren.
Daar staan beperkingen tegenover, aan beide kanten. De gegevens van Arnoldussen lopen tot 2016 en komen uit één kliniek; de auteurs schrijven zelf dat zij over de oorzaken van de trends “alleen kunnen speculeren” (vertaald). Omgekeerd is ook de verklaring dat sociale invloed of sociale media de stijging veroorzaken niet aangetoond. Het Radboud-rapport concludeert dat er “mogelijk een klein verband” is tussen socialemediagebruik en genderdysforie, maar dat niet bekend is wat er eerst was en dat geen rechtstreeks verband of effect is gevonden. In het NOS-bericht zegt De Vries zelf over zoekende jongeren: “Die komt met andere jongeren in contact en die wordt ook door andere jongeren bevrucht in zijn ideeën.” Hoe groot elk van deze factoren is, staat in geen van deze bronnen.
Dat is van belang voor de behandeling, omdat het onderzoek waarop die steunt is gedaan bij een andere groep. Zie de weerlegging over het bewijs voor de Nederlandse aanpak.
Conclusie
Dat minder stigma en meer zichtbaarheid bijdragen aan de groei is aannemelijk en wordt door Nederlands onderzoek gesteund. Dat het de meest waarschijnlijke verklaring is, valt niet te onderbouwen: het onderzoek dat ZonMw en het ministerie van VWS daarvoor lieten doen, kan niet zeggen of er meer transgender personen zijn dan vroeger en noemt niet één maar meerdere verklaringen, waaronder de inrichting van de zorg, en de Gezondheidsraad schrijft dat onderzoek naar de oorzaken van de veranderde samenstelling er nog niet is. De sterkere stijging onder oudere geboren meisjes is door de klinieken zelf gemeten en volgens de Amsterdamse onderzoekers nog niet sluitend verklaard. Het eerlijke antwoord op de vraag waarom de aanmeldingen zo sterk stegen is dat er meerdere verklaringen zijn en dat niet is vastgesteld welke het zwaarst weegt.
Bronnen
- Gezondheidsraad (2026). Transgenderzorg voor jongeren. Advies nr. 2026/12, 30 juni 2026.
- Das, E., Wasserbauer, M., Loopuijt, C., Plug, I., Uilhoorn, A., van der Vleuten, A. & Verhaak, C. (2023). Mijn gender, wiens zorg? Onderzoek naar de toename in en veranderingen van de vraag naar transgenderzorg. Radboud Universiteit.
- Van der Loos, M.A.T.C. e.a. (2023). Children and adolescents in the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria: trends in diagnostic and treatment trajectories during the first 20 years of the Dutch Protocol. Journal of Sexual Medicine 20(3).
- Aitken, M. e.a. (2015). Evidence for an altered sex ratio in clinic-referred adolescents with gender dysphoria. Journal of Sexual Medicine 12(3).
- Arnoldussen, M. e.a. (2020). Re-evaluation of the Dutch approach: are recently referred transgender youth different compared to earlier referrals? European Child & Adolescent Psychiatry 29(6).
- NOS (10 september 2021). Toename jongeren in de transgenderzorg leidt tot nog langere wachtlijsten.
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.
Veelgestelde vragen
Meer over Beleid en voorlichting

Beleid en voorlichting
OnvolledigIs de huisarts bij gendervragen altijd de juiste route?
Het kabinet noemt de huisarts de vanzelfsprekende route bij gendervragen. De Gezondheidsraad beschrijft dezelfde route kritischer: vaak te weinig kennis, en snelle verwijzing naar gendercentra werkt medicalisering in de hand.
Lees de weerlegging →
Beleid en voorlichting
Niet onderbouwdIs de sociale transitie van een kind een onschuldige stap?
TNN stelt dat onderzoek de sociale transitie van kinderen steunt. De systematische review van die studies vindt geen robuust bewijs voor voordeel of nadeel.
Lees de weerlegging →